VERHAAL & GEDICHT

René Dohmen – een kort reisverhaal (juli 2016)

DE AFDALING

We dalen af door het dichte, in nevel gehulde vochtige woud. Het is
vroeg in de ochtend. De rivier ligt zo’n 1600 meter lager dan het dorp
van waaruit we zijn vertrokken.
……Het pad is onafgebroken modderig en glad. Door de stugheid van mijn
bergschoenen heb ik onvoldoende grip. Deels op handen en voeten glijd ik
naar beneden. De twee gidsende dorpelingen hebben op hun buigzame
slippers veel minder moeite met de afdaling. Rotspunten steken uit de
modder omhoog. Nat gebladerte raakt mijn gezicht. Links van me, op nog
geen meter afstand, gaapt een smal, donker ravijn.
……De kleine voor mij uit lopende groep bestaat uit de twee gidsen en drie leden
van een Laotiaanse hulporganisatie, onderweg voor een onderzoek naar de
levensomstandigheden in verafgelegen bergdorpen. Ik besluit achteraan te lopen,
in mijn eigen tempo. De afstand tot de groep wordt gaandeweg groter.

Mijn kleding en handen zijn besmeurd met leverkleurige modder. Takken, bomen
en vooral bamboestengels langszij het pad gebruik ik als leuning. Wanneer de leuning
ontbreekt, is het onmogelijk me rechtop voort te bewegen. Ik sta stil, besluiteloos, het
natte pad wordt ongemeen steil. Hoe ga ik hier naar beneden, hoe? Een afgebroken,
op de grond liggende dikke tak biedt uitkomst. Elke positionering ervan, elke stap,
elk moment vergt onverdeelde aandacht.
……Meer dan twee weken van intense indrukken neem ik mee in de afdaling, in mijn
hart. Opgedaan te midden van een bergvolk dat vasthoudt aan een sedert 200 jaar B.C.
oude, vrijwel onveranderde cultuur. Die indrukken omhullen mij, hier in het uiterste
noorden van Laos.

Ik luister, maar hoor geen geluid van de groep. Een lichte vrees: ben ik ze kwijtgeraakt
in de onmetelijkheid van dit woud? Het pad . . . is dit wel het pad? Er is geen ander pad,
dit moet het zijn.
……Ik verlies mijn evenwicht, wil met de linkervoet herstellen, maar die glijdt weg.
Achterover vallend laat ik, om met mijn handen de val te breken, de stok los. Mijn
armen zwaaien in de rondte, in de hoop ergens houvast te vinden. De rechter-hand
grijpt blind een bamboestengel, ik kantel op mijn zij. Een blad aan de stengel snijdt in
mijn hand, ik durf niet los te laten, draai op mijn buik maar voel dat mijn voeten nog
steeds geen grip hebben, ze lijken in het ravijn te hangen. Razendsnel grijp ik de
bamboestengel ook met mijn linkerhand vast, en blijf liggen. Ik ben overgeleverd aan
de sterkte van bamboe. Mijn hand bloedt, ik voel geen pijn, voorzichtig trek ik me
omhoog terug het pad op. Mijn gezicht voelt als geslagen door duizend dunne takken.

In mijn rugzak heb ik gekookt water, thee om precies te zijn. Daarmee reinig ik de wond,
een lange dunne snee, gelukkig minder diep dan ik vreesde. Ik bind er toiletpapier en
een zakdoek omheen en kom overeind. Ik luister . . . niets te horen van de groep.
……Een klein, deels zonbeschenen plateau. Ik zit op mijn rugzak. Hoe lang duurt de
afdaling al? Ik haal mijn horloge uit een zijvak: drie volle uren! Drie uren als drie
minuten, de inspanning heeft elk besef van tijd weggevaagd. Ik ben in absolute fysieke
eenzaamheid. Het woud is stil, ik hoor mijn ademhaling. Ik ben alleen, alleen op aarde,
ben als een oplettend dier. Als het moet, zal ik me verdedigen. Maar waartegen? Ik voel
geen gevaar, het woud is vochtig en prachtig. Dat de zon de grond raakt, ervaar ik als
een 
goed teken.

Een onverwacht en duidelijk pad dat naar rechts afslaat, licht dalend. Ik weet dat de
kortste weg naar de rivier de steile afdaling is. Maar vóór mij, naar beneden, zie ik geen
pad. De bodem van het smalle ravijn links naast mij is nog steeds niet te zien. Kan ik het
pad negeren? Volg het pad, gebied mijn verstand. Ik moet een belangrijke beslissing
nemen . . . de steile afdaling.
……Wat zal ik beneden aantreffen? De hoofdrivier? Een zijtak ervan? Geen van beide?
Is het een rivier dan ga ik stroomafwaarts, we zijn immers stroomopwaarts gekomen.

Geleidelijk wordt het woud minder dicht en minder nat, zonnestralen geraken makkelijk
tot de bodem. Dan ineens, als ontwaakt, hoor ik water. Ik sluit mijn ogen en luister,
luister als nooit tevoren . . . het is geen vallend maar stromend water, de rustige klank
van een brede stroom die daar beneden zijn weg gaat.
……Ik laat de rugzak van mijn schouders glijden, ga zitten en geniet intens van dit
bevrijdende geluid, de zonbeschenen grond, de stille bomen, het groene vochtige
gebladerte, de blauwe hemel.

Ik zit op een rots in het lage water, met mijn hoofd dicht bij het wateroppervlak. De
natte, besmeurde kleren heb ik te drogen gelegd. In de verte het geluid van stemmen.
De zachte wind beweegt de boomtoppen achter mij. Druppels – mijn tranen – vallen
op het stille water.
……Mijn handpalmen leg ik behoedzaam op het licht golvende oppervlak. Zo zit ik nog
een tijd en tuur door het water naar de bodem, dompel dan mijn rechterhand helemaal
onder en zie dat de wond al aan het genezen is.


Claudia Lindenmann

OP EEN DAG IN NOVEMBER

Vanaf hoog
gleed traag in zilveren novemberlicht
de kleine tak ter aarde,
vlijde zich neer op het verharde pad

en bleef daar,
samen met haar ingeslapen bladeren
(zeven om precies te zijn
),
stil liggen wachten

geduldig
op slechts een lichte bries
die haar met fluwelen aandacht
langszij zou dragen.

Een ridder
(zo zal weldra blijken)

stapte uit dauw beslagen mist,
hield in zijn tred,
knielde en sprak:

excuseer
mogelijk dat u wacht op hulp
uit voor u welbekende hoek
de in bomen zacht ruisende wind

sta mij toe,
wetend de lichtheid van een bries
niet te kunnen evenaren,
die eervolle taak op mij te nemen

want u weet
een misverstand is gauw geschied
daarom laat nu mij
u terzijde dragen.



Meer lezen? Ga naar: Praktijkvoorbeelden


Home   Tekstbewerking   Vertalen   Tarieven   Over   Contact
Praktijkvoorbeelden   Algemene voorwaarden